Aarschots hoen

   Favoriete websites

   Adresgegevens

   Huidige projecten

   Biografische gegevens

   Persoonlijke interesses

 

Favoriete websites

§    www.neerhofdieren.be

§     www.kippengrabbelton.be

§     http://www.hoenders.net

§     www.SLE.be

§    www.favv.be

§     kippen.opzijnbest.nl

§     http://kippen-rassen.startpagina.nl

§     http://www.camchickens.com

§     www.gratisforums.com/raskip

 

Terug naar boven

Adresgegevens: Schoonderbeukenweg 93 – 3202 Rillaar

E-mailadres: fredy.van.aerschot@pandora.be

Webadres

www.aarschots-hoen.be

Telefoon (werk)016/311217

Thuis 016/501079

 

Terug naar boven

Huidige projecten

   Kweken

   Selecteren

   Tentoonstellingen

 

Terug naar boven

Biografische gegevens

 

Het Aarschots Hoen

 

Het Aarschots hoen vond zijn oorsprong in de omgeving van Aarschot, m.a.w. in het Hageland.  Het werd hier niet alleen gehouden als “boerenkip” maar werd ook op de grotere Aarschotse gebeurtenissen fier opgevoerd als “Aarschotse kiekens” en met heel veel smaak verorberd op o.a. het feestmaal ter gelegenheid van de inzegening van het nieuwe gebouw van het Sint-Jozefscollege op 14 september 1909.

 

Dat het Aarschots hoen niet alleen lokale bekendheid genoot blijkt ook uit het feit dat het in het standaardwerk over hoenderrassen van R. Houwink uitgegeven in Nederland in 1909 op 2 plaatsen vermeld wordt.  De kenmerken van dit hoen werden hier echter niet nauwkeurig gestandardiseerd en ook via andere geschreven bronnen heeft men geen nauwkeurige standaard kunnen bekomen.  Aan de hand van getuigenissen is men er echter in geslaagd een reconstructie te maken van de kenmerken van dit hoen.

 

Vrijwel zeker mag aangenomen worden dat dit hoen sterk verwant is aan de Mechelse Koekoek.  Deze Aarschotse koekoek is echter minder zwaar en slanker dan de Mechelse.  Helaas is dit kippenras uitgestorven maar een 15 tal jaren geleden is men terug begonnen en een kleine groep kwekers stelt alles in het werk om het Aarschots Hoen terug tot leven te roepen.  Het tweede leven van het Aarschots hoen begon toen Jacobus Cypers het standaardwerk “Hoenderachtigen en Watervogels” van Willems en Brandt begon te lezen. In dat boek wordt een beschrijving gegeven van 21 erkende Belgische hoenderrassen.  Maar echter veel belangrijker was het aanhangsel : daarin werd door de auteurs gesteld dat er buiten deze 21 rassen nog andere geweest waren en het Aarschots Hoen werd hier met name genoemd.

 

Dit was het startpunt voor Jacobus Cypers om op zoek te gaan naar meer informatie over het Aarschots Hoen.  Dit was echter allesbehalve gemakkelijk en de definitieve start kwam er maar toen hij via via opmerkzaam gemaakt werd op een artikel verschenen in “Chasse et peche” van 1901.  In dit bewuste artikel werd onder de naam Hagelander een kip besproken die vooral in de streek van Aarschot gekweekt werd.  In dat artikel werd het Aarschots hoen vergeleken met een Mechels hoen qua type maar met de kleur van een Brugse vechter.

 

Toen Cypers daarna in kontakt kwam met Jaak Laenen was de definitieve aanzet tot het Aarschots Hoen nieuwe stijl gegeven.  Jaak Laenen was een oude poelenier uit het Leuvense die in het verleden het Aarschots Hoen nog verhandeld had.  Hij herinnert ze zich als een soort Mechelse koekoek maar dan met een gouden koekoekskleur.  Aan de hand van al deze gegevens stelde Cypers een kweekdoel op en kon hij aan de slag om het Aarschots hoen weer tot leven te roepen.

 

Het dier dat men wenste te kweken moest voldoen aan de volgende voorlopige standaard :

            Kop : middelgroot, enkele kam, bleke snavel, rode oor en kinlellen, oranje oog

            Borst : diep en breed

Rug : goed ontwikkeld, breed en vlak, nagenoeg horizontaal (ietwat naar achter afhellend)

            Staart : kort, half hoog gedragen

            Achterlijf : gevuld

            Poten : bleek, effen, vrij van pluimen

            Kleur : Haan : koekoek met goud in hals en zadelbehang

                        Hen : uniform koekoek met goud in hals

            Ei : donkerbruin met stippen

            Gewicht : Haan : 3 à 4 kg

                           Hen : 2.5 à 3 kg

 

Men wist nu hoe het Aarschots Hoen er van buiten uit moest zien.  Maar over de innerlijke eigenschappen die deze kippen vroeger hadden was nog veel minder geweten.  Cypers is er van overtuigd dat het Aarschots Hoen in feite een kruisingsprodukt is van een Mechels hoen en een Belgische vechter. Daardoor is er “goud” gekomen in de Mechelse en dat is dan typisch voor het Aarschots Hoen.

 

Nu is van het Mechels hoen geweten dat het een uitmuntend vleeshoen is doch als eierproducent niet zo heel veel voorstelt.  Cypers vermoedt dat het Aarschots hoen naast een smakelijke bout echter niet bepaald uitblonk als eierproducent.  Bovendien herinnerde ook Jaak Laenen zich dat men voor het Aarschots hoen altijd wat minder betaalde dan voor een Mechels hoen.  Het Aarschots hoen zal dus eerder gesitueerd kunnen worden als een kip met tweeledig doel nl. zowel een smakelijke bout leveren als een voldoende eierproductie doch met de nadruk vooral op de smakelijke bout.  Daarenboven zou, als het Aarschots hoen opmerkelijk gekleurde eieren zou gelegd hebben, dan zou dit ergens vermeld zijn geweest.  Aangezien wij dergelijke vermelding nergens terugvinden mogen wij aannemen dat de oorspronkelijke eikleur van het Aarschots hoen vermoedelijk licht geelbruin tot lichtbruin zal geweest zijn.

 

Wanneer men nu echter terug voor de pinnen zou komen met een herboren ras, dat zich echter tooit met slechte eigenschappen, dan kan men elk sukses meteen al vergeten.  De man op de buiten wil wel Aarschotse hoenders in zijn kippenhok op voorwaarde dat het ras een goed legras is en bovendien ook nog als vleeshoen aardig uit de verf komt.  Als toemaatje laat men het moderne Aarschots hoen donkerbruine eieren leggen. De kleur van de eischaal verwijst naar de roestkleurige Hagelandse  ijzerzandsteen.  Die eigenaardige bruine eieren worden algemeen als een pluspunt ervaren. Dat alleen al spreekt sommigen aan om Aarschotse hoenders te kweken.  Eerlijkheidshalve moeten wij hier aan toevoegen dat dit zeer waarschijnlijk een belangrijk verschilpunt is met het originele Aarschots hoen.

 

Momenteel werkt men al meer dan 15 jaar aan de wedergeboorte van het Aarschots hoen.  De ouderdom en de gezondheid verplichtten Jac Cypers om als kweker te stoppen.  Gelukkig heeft hij anderen besmet met de drang om te werken aan de wedergeboorte van een nieuw raszuiver Aarschots hoen. In de pioniersgroep zaten: Frans Van Aerschot, Albert Tuerlinckx, Marc Morren, Frans Gijsbrechts en Eric Van De Plas.

 

Dacht Jacobus Cypers in eerste instantie de klus te kunnen klaren in vier jaar dan merkt men nu, na 15 jaar, dat er nog een lange weg af te leggen is eer men opnieuw een raszuiver Aarschots hoen heeft.  In 1992 raakten Fredy Van Aerschot en Hubert van Aarle bevangen door het virus. Zij begonnen met dieren van Albert Tuerlinckx aan een, achteraf gezien, moeilijk avontuur. Tijdens de eerste link tussen de eerste groep en de tweede werd de hulp ingeroepen van keurmeester Karel Belmans. Elk kweekseizoen moet men vaststellen dat nog een zeer groot gedeelte van de gekweekte kippen zich als rasonzuivere exemplaren uit de eischaal pikken. Door strenge selectie probeert men stap voor stap tot het uiteindelijke kweekdoel te komen.  En de laatste paar jaar kan men echt vaststellen dat er wezenlijke vooruitgang geboekt wordt.  Er blijft echter nog heel wat te doen.  De kleur in het algemeen moet nog opgevijzeld worden en qua tekening kan men nog niet echt streng zijn.  Ook moet er nog gestreefd worden naar een grotere uniformiteit van die dieren die uit hetzelfde ouderpaar gekweekt zijn.  Al deze problemen probeert men momenteel te ondervangen door met een bredere basis aan lijnenteelt te doen wat in de toekomst de mogelijke problemen als gevolg van inteelt te ondervangen.

Stapje voor stapje proberen zij te kweken in de richting van het vooropgestelde doel.

Alle vooruitzichten voor het Aarschots hoen zien er goed uit en de kerngroep van kwekers is behoorlijk tevreden met het behaalde resultaat. Het ras officieel laten erkennen is één van de volgende opdrachten.

Zodanig dat zij besloten om in 2000 de erkenningsprocedure te starten. Dwz. om in een tijdsspanne van zes jaar de dieren driemaal positief te laten beoordelen. Hubert (de denker) en Fredy (de doener) riepen de hulp in van Mon Ruyters, Eddy Peiten, Rudy Dierckx en Carlo Verrek om een voorlopige standaard samen te stellen. Zij slaagden in december 2003 te Leuven, tijdens de nationale wedstrijd, in hun opzet. Ze werden reeds tijdens dit tentoonstellingsseizoen verschillende keren gekeurd met wisselend resultaat.

De belangrijkste kwekers van het Aarschots hoen, goudhalzig koekoek, zijn momenteel Hubert van Aarle uit Wolfsdonk, Eddy Peiten uit Woluwe, Koen Peiten uit Tielt-Winge, Rudy Dierckx uit Herselt, Gins Firmin uit Rillaar en Fredy Van Aerschot uit Rillaar.

 

Wie meer info wil kan terecht bij

-         van Aarle Hubert, Volkensvoortstraat 11 te Langdorp

-         Van Aerschot Fredy, Schoonderbeukenweg 93 te Rillaar, tel 016/50 10 79

 

Een voorbeeld van een toom Aarschots hoen.

 

AARSCHOTS HOEN

 

Als nieuwste aanwinst bij onze Belgische hoenderrassen mogen we sinds dit jaar ook het Aarschots hoen verwelkomen. Alhoewel “nieuw” zeer relatief is, want reeds in de negentiende eeuw was op praktisch ieder boerenerf in het Hageland de koekoekkleurige dubbeldienst kip met de gouden sierveren aanwezig. Maar jammer genoeg, zoals zovele van onze geliefde nationale rassen, raakte het Aarschots hoen begin twintigste eeuw op de achtergrond door vooral de import van buitenlandse legrassen en als pure vleesproducent had het zwaar te verduren onder de toen al immense populariteit van het Mechels hoen. Het ras verdween bijna geheel op,een paar dieren na die nog op de lokale markten verhandeld werden en werd dan ook beschouwd als geheel uitgestorven.

Tot begin de jaren tachtig enkele liefhebbers uit de streek van Aarschot het idee opvatten om hun lokale ras weer tot leven te roepen. Dit was echter geen simpele opgave, vermits er nergens een volledige en grondige beschrijving te vinden was van hoe het er eigenlijk juist  uitgezien had. De enige uitgangsbasis waren de verhalen van oude poeliers en enkele artikels uit “chasse et peche”. Het resultaat van deze samenraapsels van gegevens was een vrij grof gebouwd, middelzwaar hoen, koekoekkleurig met gouden sierveren. Als extraatje werd hier aan toegevoegd dat de kippen donkerbruine eieren legde, naar de kleur van de ijzerzandsteen alomtegenwoordig in de streek van het Hageland.

Als uitgangsmateriaal werd gekozen voor o.a. Belgische vechter (bevlezing), Marans (gouden tekening en ei-kleur) en Welbar (legkracht en koekoektekening). Al vrij snel kwam men tot een vrij degelijk resultaat dat in de buurt kwam van het gewenste objectief. De samenwerking tussen de verschillende fokkers verwaterde echter lichtjes, met als gevolg dat er, vooral qua kleur dan, enkele verschillen optraden. Sommige bloedlijnen gingen de richting uit van goudhalzig koekoek, anderen opteerden voor koekoekpatrijs met bijbehorende vleugeldriehoek. Iedere fokker apart leverde op zich prachtig werk en dankzij hun inzet was er terug voldoende basismateriaal voorhanden, maar zolang er geen samenhorigheid kwam zou het Aarschots hoen niet klaar zijn voor een officiële erkenning.

Na enkele jaren van windstilte werd het project midden de jaren negentig terug uit de kast gehaald en vooral onder impuls van Hubert van Aerle en Fredy Van Aerschot nieuw leven in geblazen. Voordeel voor deze mensen was dat ze konden terugvallen op het basismateriaal en de ervaringen van de pioniers, die dan ook zo bereidwillig waren om dieren ter beschikking te stellen. Er werd duidelijkheid geschapen over welke richting er zou uitgegaan worden, qua kleur koos men resoluut voor goudhalzig koekoek en de eerste basis werd gelegd voor een officiële standaard. Ze opteerden ook om het project in beperkte kring te houden,om te vermijden dat er opnieuw teveel diversiteit zou komen tussen de bloedlijnen. Ondanks de lichte druk om het ras reeds in een vroeger stadium te commercialiseren, hielden ze voet bij stuk en werden enkel de hennen verspreid, die erg gewild waren om hun zeer goede legcapaciteiten. Dit bleek achteraf nog onverwacht een uitstekende zaak. Toen in 1998 bij de overstromingen bijna het gehele fokbestand verloren ging, kon men terugvallen op deze dieren en werd men niet totaal terug naar af gewezen, maar was het enkel een paar stappen terug. In 1999 werd de erkenningsprocedure in gang gezet, die in 2003 met succes beëindigd werd.

Zoals elk nieuw ras of variëteit heeft ook het Aarschots hoen nog zijn kinderziektes en onvolmaaktheden, maar ook meer gevestigde rassen zijn niet altijd in een perfecte kwaliteit te vinden op onze shows. Momenteel zijn er reeds een zestal fokkers mee bezig om het Aarschots hoen in de toekomst zijn plaats te vrijwaren bij onze nationale rassen op de tentoonstellingen, maar dit aantal zal vrijwel zeker nog uitbreiden vermits het ras enkele sterke troeven voorhanden heeft, zowel qua nutwaarde als estetische waarde. Indien zowel tijdens de fok als op keuringen het ras in de juiste richting word geleid, is er voor het Aarschots hoen nog een mooie toekomst weggelegd en is ons kleine landje weer een prachtig ras rijker.

© Eddy Peiten

 

,,Ik kon toch niet anders dan een Aarschots hoen fokken?’’

 

Precies twintig jaar na de oprichting van het Hagelands Neerhof is de kogel door de kerk: het Aarschots hoen bestaat officieel. Fredy Van Aerschot (Rillaar) en Hubert van Aarle (Wolfsdonk) slaagden erin het ras officieel te laten erkennen. Het kostte ze elf jaar, maar Fredy had zo zijn redenen om te volharden.

Het Aarschots hoen prijkt in het laatste nummer van ‘Het Vlaams Neerhof’ bij de erkende nieuwe rassen en variëteiten. Aan die officiële erkenning gingen ettelijke jaren vooraf.

,,Het verhaal begon toen Aarschottenaar Jacobus Cypers ruim twintig jaar geleden een vermelding van het Aarschots hoen vond in een standaardwerk over neerhofdieren,’’ vertelt Fredy Van Aerschot. ,,In een artikel uit 1901 vond Jac iets meer informatie over dat Aarschots hoen: het was wat slanker dan de Mechelse koekoek en qua kleur eerder vergelijkbaar met de Brugse vechter. Jaak Laenen, een oude poelenier uit het Leuvense, herinnerde zich het Aarschots hoen als een ‘soort Mechelse koekoek, maar dan met een gouden koekoekskleur’. Dat waren zowat alle beschikbare gegevens toen een eerste groep liefhebbers zich voornam opnieuw een Aarschots hoen te fokken. Ze stichtten daarvoor in 1984 ‘Het Hagelands Neerhof’, de vereniging van liefhebbers van neerhofdieren. In de schoot van die vereniging hielde vijf fokkers zich bezig met het Aarschots hoen: Jacobus Cypers, Frans Van Aerschot, Albert Tuerlinckx, Frans Gysbrechts en Marc Morren. In 1992 taande de belangstelling en deed de club een oproep naar leden die nog wilden werken aan de creatie van het Aarschots hoen. Hubert en ik namen de draad toen op. Ik was pas een jaar bij de club en kende nagenoeg niks van kleurvererving en genetica. Er kwam flink wat zelfstudie en geduld aan te pas. Als we in het begin van 350 kuikens 12 dieren overhielden die de juiste eigenschappen hadden om mee verder te kweken, dan was het een goed jaar. In de loop van de jaren denk je dan wel eens aan stoppen. Waarom ik het toch elf jaar volhield? Ik kon niet anders: ik heet Van Aerschot, ik ben geboren in Aarschot en ik woon er. Dan moet je toch een Aarschots hoen fokken? Misschien moet je daar zelf ook wel een kieken voor zijn, want het werk zit er nu nog lang niet op. We willen de komende tijd bewijzen dat het Aarschots hoen er mag zijn. Door zoveel mogelijk aan keurtentoonstellingen deel te nemen, willen we aantonen dat het zijn plaats tussen de anderen verdient.’’

Het Aarschots hoen is middelzwaar,  koekoekkleurig en heeft een goudkleurig halsbehang. Het heeft een gemoedelijke aard, is een uitmuntende legkip en doet het ook als vleeshoen goed. ,,Wie zelf zo’n hoen wil, mag zich vooral niet laten vangen aan nep,’’ waarschuwt Fredy. We gaan voorlopig maar met enkele fokkers uit de regio aan de slag om het hoen te kweken.’’

© Christi Van Calster

 

Standaard Aarschots hoen

Herkomst : België. Afkomstig uit de streek rond Aarschot in het Hageland. Standaardmatig erkend in 2004.

Algemeen voorkomen : Middelzwaar, middelhoog gesteld, vrij fors hoen met een bijna horizontale houding, borst en staart vrij hoog gedragen. De hennen vertonen een goed ontwikkelde legbuik.

Eigenschappen : Dubbeldoelras met zeer goede leg- en vleeskwaliteiten. Zowel geschikt voor het houden in vrije uitloop als in beperkte ruimten.

Beschrijving HAAN

Romp : vrij breed, gerond en horizontaal. Achterdeel goed ontwikkeld.

Hals : tamelijk kort, enigszins naar voor gedragen, bovenaan iets gebogen.

Kop : nauwelijks middelgroot, felrood en bezet met kleine donsveertjes.

Kam : enkel, middelgroot, recht en rechtop geplaatst. Voorzien van 5 tot 6 regelmatig gevormde en goed ingesneden kamtanden. Kamhiel vrij van de schedel en zonder insnijdingen, felrood van kleur.

Snavel : stevig, middellang, naar de punt toe gebogen; licht hoornkleurig, iets aanslag toegestaan.

Kinlellen : middellang, breed en goed gerond, fijn van weefsel en levendig rood van kleur.

Oorlellen : middelgroot, langwerpig zonder diepe vouwen, fijn van weefsel en levendig rood van kleur.

Gezicht : onbevederd, fijn van weefsel, levendig rood van kleur.

Ogen : groot, rond en levendig van uitdrukking.

Rug : middellang, breed en bijna horizontaal. De overgang naar de staart in een holle lijn.

Borst : vrij breed, goed gerond en hoog gedragen.

Vleugels : goed ontwikkeld, bijna horizontaal gedragen. De vleugeleinden voor een deel schuilgaand onder het zadelbehang. Slagpennen breed en elkaar goed afdekkend.

Staart : goed ontwikkeld, tamelijk hoog onder een hoek van ongeveer 60° gedragen. De stuurveren breed en vrij goed ontwikkeld. De sikkels en bijsikkels goed gebogen, niet voorbij de stuurveren reikend. Staartdekveren goed ontwikkeld.

Benedendijen : krachtig, middellang; vol bevederd en goed uit de flankbevedering tredend.

Loopbenen : middellang, krachtig maar niet te grof, goed uit elkaar geplaatst, glad, voorzien van fijne schubben, wit; iets grijze aanslag toegestaan.

Tenen : vier in aantal, stevig, goed gespreid, zelfde kleur als de loopbenen..

Nagels : stevig, goed gebogen en wit van kleur.

Bevedering : goed ontwikkeld, glad en gesloten aanliggend.

Halsbehang : goed ontwikkeld. De halsbehangveren zijn lang, breed en reiken tot op de schouders en rug. De voorzijde van de hals wordt voor een deel omsloten.

Zadelbehang : vol, de brede sierveren vullen de overgang naar de staart goed op.

Beschrijving HEN

Romp : gestrekt, diep, met goed ontwikkeld achterdeel en goede donsontwikkeling.

Rug : tamelijk lang, vrij breed en horizontaal, zonder een zadelkussen te vormen in een holle lijn oplopend naar de staart.

Staart : middellang, hoog onder een hoek van ongeveer 50° en enigszins gespreid gedragen. Staartstuurveren breed en elkaar goed afdekkend.

Kopversiersels: kleiner.

 

Fouten haan en hen : te kort van rug; te lage of te hoge beenstelling; wit in de oorlellen; sterk aflopende ruglijn; enkele kleine stoppels op de loopbenen en tenen, te hoge of te lage staartdracht, te weinig gewicht.

Uitsluitingsfouten : verkeerde poot- en oogkleur; witte oorlellen; bevederde loopbenen.

Ringmaat : Haan 22 mm, hen 20 mm.

Standaardgewichten :

 Jonge haan : 3,5 kg. Overjarige haan : 4,0 kg.

 Jonge hen : 2,5 kg. Overjarige hen : 3,0 kg.

Kleurslag : koekoek goudhalzig

 Kleurslag

 Snavel/ nagelkleur

 Oogkleur

 Pootkleur

Koekoek goudhalzig

 Licht hoornkleurig

 Oranjerood

Wit

 

 

 

Terug naar boven

Persoonlijke interesses

   Park- en watervogels

   Duiven

   Konijnen

   Cavia's

 

Andere dieren

Krielen:    - modern engelse vechter: berken en goudberken.

               - zijdehoen: wit.

                

Watervogels:

               - mandarijn, gele boomeend, versicolortaling, brasiltaling, witoog, rode casarca, grijskopcasarca, bergeend, paradijscasarca, loopeend, eend van Vorst, kwaker.

 

Duiven:    - gentse meeuw, italiaanse meeuw, altenburger trommelduif, elster purzler, belgische ringslager, brunner kropper, wener tuimelaar.

 

Konijnen: - engels zilver, Nederlandse dwerghangoor.

 

Cavia's:    - engels gekruind: zilver- en goudagouti, zwart

               - gladhaar: zwart, zilver- en goudagouti, rood, havana.

  

Terug naar boven

Met dank aan Luc Peeters en William Beyens

Laatst bijgewerkt op: 11/08/2009.